• Gepubliceerd door
  • Vrouw tot Vrouw
  • Gepubliceerd op
  • 18 mei 2026

Geen baarmoeder, tóch moeder

Tekst: Lia van der Neut-de Jong
Foto’s: Marije Schot en Kato

Marije en Martijn verwelkomen me bij hun oprit. Martijn staat op het punt een van de kinderen weg te brengendus Marije neemt me mee naar binnen. In de hal hangen jassen en tassen van kinderen, het is duidelijk dat hier een groot gezin woont. Dat had ook heel anders kunnen zijn, want Marije ontdekte op zeventienjarige leeftijd dat ze via de natuurlijke weg zelf geen kinderen zou kunnen krijgen.   

Hoe komt het dat je zelf geen kinderen kunt krijgen?
‘Ik heb het – weinig voorkomende – MRKH-syndroom, wat inhoudt dat ik zonder baarmoeder ben geboren. Dit syndroom is aan de buitenkant niet zichtbaar, ik werd als een gezonde baby geboren. In de puberteit had ik een normale borstontwikkeling, want mijn hormoonhuishouding werkt naar behoren. Ik liep rond met een tasje met maandverband en een extra onderbroekje voor het geval ik voor het eerst ongesteld zou worden. Het hield me bezig. Ik wist van andere meisjes dat ze het al waren geworden en vroeg me af wanneer het bij mij zou gaan gebeuren. Ik schaamde me omdat ik nog steeds niet ongesteld was. Ik begon wat afstand van vriendinnen te nemen, omdat ik me niet kon conformeren aan meisjes van mijn eigen leeftijd. Ik was een beetje stoer en ging veel met jongens om. Ergens was dat een beschermmuurtje, er was iets niet helemaal zoals het zou moeten zijn. Mijn ouders waren heel relaxed. Zij zeiden: ‘Joh, het komt wel een keer.’ Toen ik zeventien was, vond de huisarts dat er verder onderzoek moest worden gedaan. Tegenwoordig kan via scans ontdekt worden wat er mis is, maar ik kreeg een kijkoperatie zodat de gynaecoloog met een cameraatje kon zien hoe het bij mij van binnen zat.  Ik dacht eerst dat ik niet menstrueerde omdat ik heel ziek was, misschien had ik wel kanker … Dat wist de gynaecoloog, dus het eerste wat hij zei, was: ‘Je bent niet ziek, je bent kerngezond, maar je baarmoeder ontbreekt.’

Hoe was dat voor je?
Het zei mij op dat moment weinig. Ik dacht al vrij snel: als God dit zo voor mij bedoeld heeft, zal het wel goed komen. Ik was vooral heel blij dat ik niet ziek was, dat was een geruststelling. De schaamte naar buiten toe was echter heel groot en ik ging nog meer afstand nemen van mijn vriendinnen. Ik voelde me wel volwaardig, maar ik was bang dat anderen medelijden met me zouden hebben. Dat wilde ik absoluut niet, want ik ben niet zielig, dat ben ik nooit geweest! Alleen bij mijn beste vriendin kon ik mijn gevoelens kwijt.’

Hoe leerde je met MRKH te leven?
‘Ik ging naar een lotgenotengroep omdat dit mij was aangeraden. Mijn ouders zetten me op de trein. Ik huilde, want ik vond het verschrikkelijk, maar ik heb er veel geleerd: je hebt géén ziekte, je bent níet vreemd, je bent net als alle andere vrouwen en een mogelijke relatie gaat om jou en niet om eventuele kinderen. Ik heb er ook veel gezien wat ik niet wil, bijvoorbeeld dat MRKH je leven kan beheersen. Ik zag vrouwen die God niet als steun hadden, die niet wisten dat we hier niet ‘zomaar’ zijn, terwijl ik geloofde dat het niet toevallig is dat ik geen baarmoeder heb. Ik dacht: ‘als dit Gods plan is, dan komt het wel goed met mij.’ Eén meisje in de lotgenotengroep was net als ik christen en zij was mijn steun en toeverlaat. Ik vond het zo fijn dat zij ook gelovig was. Zij heeft me er doorheen getrokken. Als je MRKH hebt, kan dat naar de buitenwereld moeilijk zijn, omdat dingen niet zo maakbaar zijn als de wereld je laat denken. God heeft echter een plan met jou. Het kan zijn dat je pleegouder of adoptieouder wordt, of iets heel anders. Je kunt zoveel betekenen voor andere mensen zonder dat je een biologische moeder bent.  

whatsapp logo pngWhatsApp
Volg Vrouw tot Vrouw nu ook via WhatsApp! Klik daarvoor op deze link.

Als je nu de diagnose MRKH krijgt, wordt er meteen gevraagd wat je wilt: een operatie, draagmoederschap, baarmoeders die een paar jaar geplaatst kunnen worden waar een kindje in kan groeien … Dat kunnen dingen zijn die voor jou als christen geen optie zijn, hoewel ik niet wil oordelen over de keuzes die anderen daarin maken. Zelf heb ik de behoefte niet. Ik krijg het idee dat mensen koste wat het kost moeten hebben wat ze willen en daar heb ik moeite mee. Ik loop God ook vaak voor de voeten, maar ik hoef me niet zo druk te maken, want hoe drukker ik me maak, hoe gestrester ik ben en hoe minder ik er voor mijn kinderen kan zijn. Ik wil in het vertrouwen leven dat Hij alles in Zijn hand heeft.  

Welke invloed had MRKH voor jou op het krijgen van een man en kinderen?
‘Toen Martijn en ik verkering kregen, ik was 19, heb ik gezegd: ‘Ik vind je heel leuk en ik weet niet hoe leuk je mij vindt, maar ik hoop leuk genoeg om te accepteren dat je met mij geen biologisch eigen kinderen kunt krijgen, want dat gaat niet lukken.’ Daar zat hij helemaal niet mee en toen wist ik dat hij echt van mij hield. Voordat we trouwden hebben Martijn en ik al een adoptiecursus gedaan. We hoopten dat we één keer vader en moeder konden worden, maar de procedure duurde heel lang. Op een gegeven moment ontdekte mijn moeder een advertentie van het Leger des Heils waarin stond dat ze pleegouders zochten. Ze tipte ons: ‘Dit lijkt me echt iets voor jullie.’ Wij hebben toen de pleegoudercursus gevolgd en van het één kwam het ander. We werden best snel gematcht met onze oudste pleegzoon Jaimy, die gelukkig altijd gebleven is. Een jaar later mochten we Kato ophalen in Thailand, daarna bleef de telefoon gaan en nu hebben we zeven kinderen. Jongens en meisjes van drie tot en met zeventien jaar.

Met Kato en Jaimy ben ik vorig jaar naar Thailand gegaan, als begin van Kato’s rootsreis. Ze was twee toen we haar kregen, nog erg jong, maar ze heeft een enorme hang naar haar land en de cultuur daar. Dat is hartverscheurend om te zien, hoewel we weten dat ze bij ons echt beter af is… In Thailand zag haar toekomst er niet goed uit. Als je kinderen uit een ander land wilt adopteren, zou je het best in dat land kunnen gaan wonen en dan daar kinderen adopteren, zodat ze in hun eigen land kunnen blijven.’

Hebben jullie ooit afscheid van een pleegkind moeten nemen? 
‘Het idee bij pleegkinderen is dat er een mogelijkheid is dat ze weer teruggeplaatst worden bij hun eigen ouders. We hebben eens een ‘uit-de-buik-plaatsing’ gehad, waarbij voor de geboorte al besloten was dat het kindje niet bij de moeder kon blijven. We kregen hem na de geboorte en waren allemaal verliefd op hem! Na acht maanden mocht hij naar huis. De moeder had zó hard aan zichzelf gewerkt dat ze zelf voor haar kind mocht zorgen. Ik heb een prachtige brief van haar gekregen. Ze schreef: ‘Ik weet dat je vreselijk verdrietig bent, maar ik heb mijn zoon acht maanden niet bij me gehad en het is wél mijn kindje!’ Dat ís ook zo! Hij ging terug naar zijn moeder en ons hart brak, maar we overleefden het! Ons leven ging verder en we hielden contact. Dat werd van lieverlee een beetje minder, heel gezond. We hebben vaker afscheid van een pleegkind moeten nemen.’  

Hoe ga je in het algemeen om met de biologische ouders van jullie pleegkinderen?
‘Ouders die pleegzorg op zich willen nemen, moeten beseffen dat het kind nooit helemaal van henzelf is. Ook als je kinderen adopteert, heb je altijd te maken met een biologisch gezin. Je doet het kind geen recht als je die band wilt verbreken. In adoptie- en pleegzorgcursussen én in de praktijk leren we dat de kinderen niet van onszelf zijn. Wij waren echt dolgelukkig met ons eerste pleegkind, maar ergens wisten we dat we hem met zijn ouders moesten delen. We gingen zoveel van zijn ouders houden dat het delen heel makkelijk ging. Voor de kinderen bij wie het kan, hebben we elke twee weken een bezoekregeling met de ouders. Bij sommige kinderen kan dat niet, maar we gunnen het hun wel, want als het niet mogelijk is, is dat zo verdrietig en traumatisch! Wanneer pleegkinderen een relatie met hun eigen ouders hebben, is dat helend voor hun ziel.  

Wij investeren graag in de relatie met de biologische ouders, omdat het kind daarvan groeit en zich veel beter kan ontwikkelen. Wij willen de ouders van onze kinderen tot hun recht laten komen en vervullen onze taak samen met hen zonder een oordeel over hen te hebben. Als je net een pleegkind krijgt, kun je je niet voorstellen dat je het kind met de ouders kunt delen, maar wanneer je hen hebt ontmoet, weet je: ‘Ze horen erbij!’ Dat geldt ook voor de opa’s en oma’s.’   

Wat heb je in dit alles van God geleerd?
‘God is ons voorbeeld: als wij al zo ongelooflijk veel van onze kinderen houden, die niet eens onze biologische kinderen zijn, hoeveel moet God dan van hen houden … en sowieso van alle mensen! Daarom wil ik graag de deur openzetten en de liefde van God doorgeven. Mijn dooptekst komt uit Psalm 139. Daaraan hebben mijn ouders mij altijd herinnerd, de psalm is mijn hele leven met mij meegegaan. Dat helpt mij om steeds weer te bedenken: dit is zo door God bedoeld. Dat God nog voor je geboorte begint met een plan, vind ik heel bijzonder. Daarbij gaat het niet om jouzelf, maar om wat je van Gods liefde laat zien aan bijvoorbeeld buren die eenzaam zijn en die even een praatje, een kaartje of een kopje thee nodig hebben. Je mag de wereld om je heen een beetje mooier maken door niet op je eigen eilandje te leven, maar oog te hebben voor de mensen die God op je pad brengt.’   

Vrouwen met het MRKH-syndroom die behoefte hebben aan lotgenotencontact, kunnen via Vrouw tot Vrouw Magazine met Marije in contact worden gebracht.