• Gepubliceerd door
  • Vrouw tot Vrouw
  • Gepubliceerd op
  • 11 april 2026

Wat als de pijn een leven lang blijft?

Tekst: Thirza Pannekoek 

Wat als de pijn in mij een leven lang niet slijt? Een half jaar na het overlijden van mijn dochter schreef ik een blog over het lied Je mag ook verliezen van Eline. Nu begin ik er opnieuw over. Omdat ik het zo belangrijk vind dat we beter gaan begrijpen dat rouw niet ophoudt, dat het je leven lang met je meeloopt. 

Manu Keirse verwoordt het zo mooi:
‘Het belangrijkste dat je moet weten over verdriet na verlies is misschien dat het niet overgaat. Je leert ermee leven. Je werkt eraan en je probeert je ermee te verzoenen.’ 

In de podcast Het leven delen vertel ik ons verhaal: over het verlies van onze twee oudste kinderen, Judah en Febe. Over de worstelingen met God, maar juist ook over Zijn nabijheid in het verdriet. 

Judah

Judah – onze oudste, onze zoon, ons extraverte mannetje. Hij hield van praten. Altijd én overal. Hij sprak in zijn leven ook veel over God en over Jezus. Jezus leefde in zijn hart, en dat was voor ons zo bemoedigend om te zien. Zoals jonge kinderen overal spontaan hun liedjes laten horen, zo deed Judah dat ook.

We hebben intens genoten van wat hij wél kon: zijn verhalen, zijn (woord)grapjes, zijn manier van spelen, het samen schommelen en luisteren naar vogelgeluiden. Judah — onze trots.

Toen Judah overleed, wisten we: hij is bij God, zijn Maker, zijn Schepper. Dat gaf troost. Maar tegelijkertijd was het gemis hier op aarde overweldigend. Opeens heb je een kind minder. Een kind minder dat je ’s ochtends uit bed haalt. Dat je aankleedt, eten geeft en weer naar bed brengt. Een kind minder dat om aandacht vraagt. Zelfs in de kleinste dingen voel je het verlies: boodschappen die je niet meer hoeft te doen, zorg die wegvalt, routines die verdwijnen. Je voelt het overal, in alles.

Rouwen is overleven.
Rouwen is hard werken.
Rouwen maakt moe — tot diep in je lichaam.

Wat ons raakte, was hoe alles weer doorgaat, maar ook dat er al gauw verwacht wordt dat je weer ‘meedoet’. Afleiding kan helpend zijn, zeker. Maar vanbinnen voelde ik me verloren. Ik was er wel, fysiek, maar daar hield het vaak op. Gewone gesprekken, over koetjes en kalfjes, voelden ineens zwaar. Wat wel hielp, was wanneer er ruimte was voor Judah. Wanneer we over hem konden vertellen. Wanneer zijn naam genoemd werd. Want hij blijft voor altijd onderdeel van ons gezin, van ons hart.

whatsapp logo pngWhatsApp
Volg Vrouw tot Vrouw nu ook via WhatsApp! Klik daarvoor op deze link.

Febe

Na het verlies van Judah hielp Febe ons om door te gaan. We moesten wel opstaan, voor haar. Tegelijk hing er een schaduw over ons leven: Judah was er niet meer en Febe heeft dezelfde ziekte. We wisten wat dat betekende. Toch gingen we ook met haar onze weg.  

Febe was fysiek sterker dan Judah en lag minder vaak in het ziekenhuis. Maar die ene vraag bleef altijd op de achtergrond: wanneer komt het moment? Toen ze drie jaar werd, vroeg ik of we opnieuw een herinneringsfilm konden maken. In mijn gevoel zou ze misschien niet ouder worden dan drieënhalf. Maar Febe werd vier. Ze ging naar school. En wat kon ze veel: billenschuiven, fietsen op haar loopfiets, lopen met een hulpmiddel — en dat terwijl ze blind was. Ze had zoveel fantasie en leerde zichzelf pianospelen, puur op gehoor en gevoel. We waren zó trots.  

Febe werd vierenhalf. Toen namen de ademhalingsproblemen toe. Opnieuw in de nacht. Slijm maakte het benauwd, soms beangstigend. In die momenten luisterden we samen naar liederen over God. Het hielp haar om rustig te blijven, zelfs als het voelde alsof ze stikte. Febe werd vijf. Febe werd bijna zes. Toen haalde God ook haar naar Huis. God heeft mij ook echt bemoedigd dat Hij ook Febe, net als Judah, Thuishaalde. Wat een troost! Maar het gemis blijft: Geen haren meer om vlechtjes in te maken. Geen pianospel tijdens het koken. Geen verhalen uit Sofie meer om voor te lezen. Geen stem meer in de wandelwagen die deed alsof ze ergens naartoe ging.  

Na haar overlijden hebben we bewust geprobeerd dichter bij onszelf te blijven. Niet meteen weer ‘terug’ de wereld in. Het eerste jaar na verlies is intens zwaar — alle eerste keren zonder hen: vakanties, verjaardagen, feestdagen, Moederdag, Vaderdag … En daarna stopt het niet. Het gemis blijft. Nooit meer compleet. Een groot gat. Twee grote gaten. Lege plekken. Altijd en overal. 

Suah

In de periode dat Febe zieker werd, kregen we drie miskramen. Toen we opnieuw zwanger werden, van Suah, kozen we ervoor dit pas laat te vertellen aan anderen. Dit kwam door de eerdere miskramen, maar ook door de reacties die we soms kregen (bij de zwangerschap van Febe) en dat was heel naar. We geloven dat ieder mens bedoeld is om God groot te maken. Dat dát de reden is dat we hier zijn — ongeacht hoelang ons leven duurt. Natuurlijk hadden we ook een diep verlangen naar een gezond kind. Maar God gaf deze zwangerschap en we vertrouwden daarin op Hem.

Suah werd geboren. Gezond. Wat een dankbaarheid. Wat een vreugde. Wat kunnen we van haar genieten. Haar ontwikkeling is prachtig, zo anders dan bij Judah en Febe. En tegelijkertijd confronterend. Want het laat ons zien wat Judah en Febe niet konden. Zo zijn er vaak zoveel dingen die gepaard gaan met een lach en een traan. Genieten van wat we met Suah doen en huilen om haar broer en zus die er dan niet bij zijn.

God is om ons heen

God gaf ons Judah. 
God gaf ons Febe. 
God gaf ons Suah. 

God lijkt soms ver weg. Maar Hij is altijd dichtbij. Hij luistert naar mijn vragennaar mijn waarom. Naar mijn onbegrip. Naar mijn verlangen dat het anders was geweest. Hij bemoedigt ons door mensen om ons heen. Hij spreekt door muziek, door woorden uit de Bijbel. 

God lijkt soms ver weg. Maar Hij is altijd dichtbij.

Leven met verlies

Wat als de pijn in mij een leven lang niet slijt?’ Daar begon ik mee. En daar eindig ik mee. ‘Kan ik nog held zijn als de moed me steeds ontbreekt? Is dat ok?’ Zo gaat het lied verder. ‘Is dat ok?’ Bij God is hier plek voor. Bij jou ook? De pijn om Judah en Febe gaat namelijk nooit meer weg. We leren ermee leven. 

Op Judahs rouwkaart schreven we:
‘Huil niet, want de Leeuw van Juda heeft overwonnen.’ (Openbaring 5) 

En toch huilen we. Soms zichtbaar, vaak vanbinnen. Maar niet zonder hoop. 

Op Febes rouwkaart stond:
‘We zullen ons verheugen in de God van ons heil.’ (naar Habakuk 3) 

En daar gaat het om, daar houden we ons aan vast.