Kibbeling
Tekst: Joke Verweerd
Illustraties: Inge Ruth de Jong
‘Vechten voor jezelf.’ Zo noemt de dokter het en zo klinkt het wel aardig ook. Anje haalt haar schouders op. Zij zal wel moeten. Maar voor haar is het vechten tégen zichzelf. Als er nu maar eens iemand was die dat begreep!
Het blijft lang stil, de ogen van de dokter wachten op haar antwoord. Schouders ophalen is niet genoeg in dit geval.
‘Ik begrijp het wel, je levert een gevecht met je lichaam. Je bent hier zelf gekomen, Anje. Je hebt een afspraak gemaakt en je verwacht iets van mij, maar in dit geval moet je het zelf doen. Gewoon doorgaan met waarmee je begonnen bent. Een dokter kan het niet altijd oplossen, ik sta in dit geval aan de zijlijn.’
‘Ja dokter.’ Wat moet ze anders zeggen?
Dan loopt ze weer op straat. Het regent en het zeil van marktkramen klappert in de wind. Guur weer, echt februari. Nog lang geen zomer. Wat raar dat haar tas zo licht aanvoelt, nu ze de doosjes met medicijnen bij de huisarts heeft achtergelaten. Alsof die zo zwaar waren! Valium, is dat zwaar? En librium? Hoe zwaar is librium?
Een nieuwe huisarts is soms een frisse wind in een mensenleven. Het was gebleken bij het eerste herhalingsrecept dat Anje indiende; gewoon een nieuwe voorraad tranquillizers. Niet dat de vorige doosjes al leeg waren, maar omdat het zo’n rust gaf als ze voorraad had. Seroxat tegen de depressie, librium tegen de angst en valium tegen de onrust. Anje was nog maar net thuis of de assistente belde. ‘Dokter Jaspers wil u graag zelf zien. Mag ik met u een afspraak maken voor het spreekuur van morgen?’
Overdonderd had ze toegestemd. En niet geslapen natuurlijk, die nacht; soms helpen ook veel pillen niet.
‘U slikt veel te veel.’
Ja, ze had geweten dat hij dat zou zeggen!
‘Afbouwen, en niet langer afhankelijk zijn van de medicijnen. Vertelt u eens, hoe ziet uw leven eruit? Waar kunnen we op aanwerken?’
Ach, het was in een paar woorden verteld. Sinds Jan werkloos was geworden, gebruikte ze medicijnen. Eerst alleen valium om rustig te blijven als Jan boos en opstandig was. Later, toen ze van die vreemde angstaanvallen kreeg, adviseerde de oude dokter ook librium te gaan gebruiken en de Seroxat was gekomen na die keer dat ze weggelopen was, zomaar zonder te weten waar ze heen moest.
‘Hoe is het nu met Jan?’ had die nieuwe dokter gevraagd. Dat was haar toen toch wel even in het verkeerde keelgat geschoten. Jan! Het ging hier toch over haar!
‘Jan gaat elke dag vissen of fietsen, ik weet het niet. Hij gaat ‘s morgens de deur uit en komt ‘s avonds er weer in.’
‘Kan hij er een beetje mee omgaan?’
‘Hij vindt het rot voor me, maar kan er ook niets aan doen.’
‘Met zijn werkloosheid bedoel ik,’ had de dokter haar fijntjes teruggewezen.
Eerst was ze alleen maar boos geweest en had ze overwogen een andere dokter te nemen. Maar in de loop van de week die volgde op dat eerste gesprek had ze toch steeds naar Jan moeten kijken. Hoe hij wegging en hoe hij weer thuiskwam. Er was weinig over van de Jan van vroeger, die altijd een grapje voorhanden had of een kwinkslag. Nu kwam hij zwijgend binnen en ging somber zijn gang. Onopvallend en teruggetrokken, alsof hij bang was dat hij last bezorgde.
De dokter had een vervolgafspraak gemaakt voor over tien dagen en in die tijd zou zij moeten proberen een plan op te stellen om te gaan werken aan medicijnenvermindering. Anje had het tegen Jan gezegd. Hard, zoals het ook bij haar was aangekomen. ‘De nieuwe dokter wil me van de pillen af hebben. Volgens hem slik ik te veel.’
Even was er een glimp van licht in Jans ogen geweest, toen richtte hij zijn blik weer op de krant die hij spelde.
‘Denk je dat het je zal lukken?’ had hij tien minuten later gevraagd. Weer even zijn ogen op haar. Anje had haar schouders opgehaald. ‘Ik doe mijn best, dat weet je.’
Het was een steek onder water geweest; Jan boog zich opnieuw over de krant. Alsof hij niet zijn best deed, zo klonk het. Zij wist het wel.
Maar het was voor haar toch ook niet gemakkelijk. Jan was behoorlijk teruggegaan in inkomen. Met zeventig procent heb je gewoon geen geld meer voor de leuke dingen van het leven. Alleen nog maar voor de noodzakelijke dingen. En als je man zonder werk is, dan loopt jouw leven ook anders. Je bent geen eigen baas meer, kunt niet meer je eigen gang gaan, hebt altijd iemand om je heen. Dat was verdraaid moeilijk, Jan had dat wel gauw begrepen gelukkig. Vandaar dat hij zijn fiets en hengeltuig had opgeknapt. Hij ging eropuit, weer of geen weer.
Tien dagen, dat is lang als je veel denken moet. Er zijn namelijk ook tien nachten bij inbegrepen.
Tien nachten naast Jan, die zuinig op zijn eigen helft lag en zich voorzichtig omdraaide en nog verder wegschoof als ze te veel en te weinig ingehouden zuchtte.
Hij wist wel dat ze wakker lag, maar hij liet dat niet merken.
Daarom was het zo moeilijk geworden tussen hen: ze wisten alles van elkaar, maar ze deden alsof ze niets van elkaar wisten. De dokter had dat besef bij haar wakker gemaakt met zijn simpele vraag. ‘Kan Jan er mee omgaan?’
De eerste nachten had ze zich omgegooid en die rotdokter verwenst. Wat nou Jan! Wie moest er aan de medicijnen omdat ze anders niet verder kon? Het was toch niet haar schuld dat Jan zijn baan was kwijtgeraakt?
En toch had ze gedacht: als ik Jan nu eens aan durfde raken en als ik net als vroeger met mijn handen onder zijn hemd zijn blote rug zou strelen, zou die triestheid, die stilte dan overgaan? Zou ik het nog weg kunnen strelen?
Maar steeds was die andere kant in haar opgestaan. ‘En ik dan?’ vroeg haar eigen ik, ‘ik die alles heb geprobeerd, die alle vacatures onder zijn neus schoof, die de beste sollicitatiebrieven bedacht, die zijn overhemden streek als hij werd uitgenodigd voor een gesprek. Moet ik dan nog meer geven, heb ik geen recht op mijn eigen leven? Mag ik het voor mezelf niet net zo rot vinden?’
En dan bleven ze elk op hun eigen helft, zoals dat de laatste maanden gewoon geworden was.
Tien dagen kunnen heel lang duren, vooral ook omdat ze, gekwetst als ze zich voelde, meteen gestopt was met librium en valium. Zij zou die dokter wel eens laten zien dat ze geen watje was! Met Seroxat stoppen durfde ze niet, omdat ze bang was dat ze zich opnieuw zo moedeloos, onverschillig en thuisloos zou gaan voelen.
Zonder de medicijnen was het leven echter een hel. De eerste dag had ze twee pijnstillers genomen en de tweede dag vier. Toen had ze begrepen dat ze zo op de verkeerde weg was, van de regen in de drup waarschijnlijk.
Even had ze overwogen om toch maar weer de librium te pakken en voorzichtiger te stoppen; afbouwen was natuurlijk veel beter dan meteen stoppen. Maar juist die dag had Jan gevraagd of het lukte; hij had dus blijkbaar gemerkt waar ze mee bezig was.
‘Wat ik per se wil, dat lukt me wel!’ had ze gesneerd.
Jan was gekrompen en nog stiller geworden. Maar hoe had ze het anders moeten zeggen? Het was toch een feit dat zij niet wegliep voor verantwoordelijkheid, dat zij niet afhankelijk was en dat ook niet wilde worden? Zij zou hem en die snotaap van een dokter perplex doen staan.
Vanmorgen waren de tien dagen om. Om tien over elf had ze de afspraak. Perplex was hij niet; hij schudde zijn hoofd boven de dozen met medicijnen die ze op zijn bureau stapelde. ‘Hoe komt u aan zo ‘n onverantwoorde voorraad? ‘
Weer die schouders. ‘Gewoon, het was handig en geruststellend een voorraadje te hebben.’
‘Denkt u dat u het redt, met alleen 20 milligram Seroxat?’
‘U zegt zelf dat het moet!’
‘Maar dat zeg ik niet om u te plagen; ik meen dat het beter voor u is.’
Er was een zwijgen gevallen.
‘Weet uw man dat u gestopt bent?’ vroeg hij daarna. ‘Hij heeft het gemerkt, ja.’
De dokter kraste wat op zijn receptenboekje.
‘Uw man komt hier niet vaak, heb ik gezien, ‘zei hij opkijkend. ‘Mijn man redt zich wel,’ zei Anje gepikeerd.
De dokter was opgestaan en had haar zijn hand toegestoken. ‘U ook wel,’ zei hij met een halve glimlach. ‘Ik onderschat echt niet wat u gepresteerd heeft afgelopen week, maar het was zo niet mijn bedoeling. Ik had u willen begeleiden in dit proces. Ik wil u over twee weken graag nog eens zien. Veel sterkte de komende tijd.’
Nu loopt ze weer op straat dus, met een raar, ontevreden gevoel. Heeft hij nou wel opgemerkt wat een groot gevecht ze levert? Neemt hij haar nou wel serieus? Altijd gaat het gesprek over Jan. Over de markt maar. Ze kan meteen wel groenten meenemen, het is hier goedkoper dan in de supermarkt.
Terwijl Anje afrekent, ziet ze tussen de kramen door ineens het bekende postuur van Jan. Daar loopt Jan, hoge schouders in zijn regenjas. Wat doet die hier? Wat loopt hij daar nou armoedig en slungelig?
Als een golf slaat de boosheid over haar heen. Waarom vist hij niet, waarom zit hij niet op zijn racefiets? Wat heeft hij hier te zoeken tussen de huisvrouwen en bejaarden? Als ze nu ook niet meer naar de markt kan, zonder geconfronteerd te worden met hun uitzichtloze situatie!
De andijvie in haar tas stoppend, loopt ze achter hem aan.
Jan staat intussen voor de viskraam. Anje hoort hem vragen: ‘Wat kost een portie kibbeling?’
‘Twee euro vijftig,’ zegt de visboer en hij wil al een nieuwe lading in de warme olie laten glijden.
Jan schudt zijn hoofd. ‘Laat maar!’ zegt hij en dan is hij weg tussen de mensen.
Anje weet niet hoe lang ze daar staat. Zij houdt zich vast aan een fiets die niet eens van haar is. De kramen lijken in elkaar over te vloeien, allemaal viskramen met vlaggetjes van rood, wit en blauw.
Zo duizelig was ze nog niet eerder; het is niet verstandig zo abrupt te stoppen met die pillen.
Zij huivert en trekt haar kraag wat hogerop.
Naar huis moet ze, rusten op de bank, misschien zal ze van een kopje thee weer warm worden.
Maar dat gezicht van Jan, bleek en zo radeloos tussen die andere gezichten, dat raakt ze niet meer kwijt.
Twee euro vijftig voor een portie kibbeling, is dat te veel?
‘Voor ons wel,’ ze hoort het zichzelf zeggen.
Maar als Jans gezicht er nou van opklaart. Voor twee euro vijftig, dat is toch niet te duur. Dat moet ze er toch voor overhebben? Die nieuwe dokter, zou hij weten wat een portie gebakken vis kost voor een werkloze?
Anje krijgt het gevoel van wel, die nieuwe dokter weet alles.
‘Dametje, sta je er nou nog? Kan ik je helpen?’ roept de visboer. Anje wijst, ze vertrouwt haar stem niet.
De visboer houdt een lekkerbek omhoog. ‘Deze erbij soms? Dat is onze aanbieding deze week: samen voor drie euro!’ Anje knikt. Drie euro mag ook.
Met het warme pakje tegen haar borst gedrukt loopt ze naar huis.
Als ze de keuken binnenkomt, draait Jan zich schielijk om. Hij staat met de ketel in zijn hand.
‘Ja Jan, ik graag thee,’ zegt ze schor, ‘en jij een portie kibbeling, als je naar me lacht.’
Ach nee, het wordt huilen, maar zelfs dat is goed.
Met toestemming overgenomen uit Joke Verweerd: Binnenstebuiten; uitgeverij Mozaïek, Zoetermeer, 2005; ISBN 9023990757