• Gepubliceerd door
  • Vrouw tot Vrouw
  • Gepubliceerd op
  • 9 mei 2024
  • Tags

Faber

Tekst: Sarah van der Maas, historica, freelance tekstschrijver, trotse Zeeuw, fervent spelfoutzoeker op hagelslagpakken en auteur.

Elke zaterdagmiddag tegen sluitingstijd zag Jan Faber hem vanachter de grote spiegelruit van zijn kantoor voorbijlopen: een smalle, altijd iets voorovergebogen jongeman met een vage glimlach in zijn blik. Aan zijn hand hield hij een meisje van een jaar of vijf – een blond klein wichtje dat precies in zijn stappen paste en dezelfde ernstig-dromerige uitdrukking in haar ogen had. In haar vrije hand hield ze dan een slap boeketje klaprozen of wilde margrieten, dat ze in de bermen langs het haventerrein had geplukt. Soms duwde ze hem de verlepte kleuren even onder de neus, en hij snoof eraan alsof het een Parijs parfum was. Ze was zijn dochter, en hij was haar vader. Altijd wanneer Faber hen langs zag wandelen, voelde hij dat zij samen een stukje van de wereld deelden waar niemand bij kon komen, als orchideeën in een plantenkas: teer en onkwetsbaar tegelijk. Altijd draaide hij zich met een ruk van hen weg. De bruuske beweging deed hem pijn, en de pijn voedde een smeulend vuur dat gloeide in de krochten van zijn hart. Hij leefde van het vuur en van de pijn – veel anders was er niet om van te leven.
De jongeman heette Bronswijk. Hij werkte op de scheepswerf; tijdens de oorlog waren ze zoveel als collega’s geweest. Tot die fatale nacht in ’42 had Faber hem nauwelijks gekend. Bronswijk was een van de vele gezichten die zich in die dagen langs de grens van de illegaliteit ophielden, deels uit nieuwsgierigheid, deels uit vaderlandsliefde, deels uit toeval en deels uit verveling. Een van de lassers had hem die avond meegenomen, noemde hem een betrouwbare kerel, wat hij ongetwijfeld ook was. In de nerveuze stemming die er heerste, was hij aanvankelijk niet opgevallen. Er waren andere dingen die hen bezighielden: de koerier die in Overschie was onderschept met drukwerk dat afkomstig was van hun illegale pers, bijvoorbeeld. De drukkerij was verborgen in een van de loodsen op de werf. Er moesten nieuwe instructies komen, zei Faber, die in die dagen de leiding had. Vanavond nog. Wachtwoorden, klopsignalen, alles vervangen. De nachtwaker moest direct op de hoogte worden gesteld. Hij had nog geen dienst; hij woonde in een portiekflat aan de Spuihaven.
Dat was het moment waarop Bronswijk zijn ogen had opgeslagen. ‘Ik moet langs die kant naar m’n meisje,’ zei hij. ‘Ik geef die brief wel even af.’
Faber herinnerde zich dat hij hem paar tellen strak had opgenomen voor hij knikte. Zelfs toen had het geluk dat van de jonge Bronswijk afstraalde hem al een vaag gevoel van onbehagen bezorgd. De manier waarop zijn ogen blonken toen hij over zijn verloofde had gesproken, strookten niet met de ernst van de avond of zelfs met die van de tijd. Het leek op de een of andere manier niet eerlijk dat iemand zo gelukkig kon zijn terwijl de wereld in duisternis wegzakte.
‘In orde,’ had hij gezegd.
Dat waren de laatste woorden die ze met elkaar hadden gewisseld. Nog geen twaalf uur later zat Faber in een arrestantencel van de Gestapo, slaapdronken van zijn bed gelicht en in de schemerochtend afgevoerd. Bronswijk was vergeten zijn brief bij de nachtwaker af te geven. Hij was onderweg zijn meisje tegengekomen en had met haar in innige omhelzing in een portiek gestaan tot de spertijd inging en hij al zijn aandacht nodig had om onder de dekking van het donker thuis te komen. Toen de politie die nacht bij de werf aanklopte en het gelekte wachtwoord fluisterde, werd de deur argeloos opengedaan. Vijf mannen werden in de drukkerij opgepakt, nog eens zeven volgden in diezelfde nacht. Faber was een van hen. Het zou drie jaar duren voor hij de lakens waar ze hem tussenuit geplukt hadden terug zou zien, bevlekt met het bloed dat uit zijn neus was gestroomd toen een van de politiemannen hem met een pistoolkolf in het gezicht had geslagen – het eerste, niet het laatste bloed dat vloeide.
‘Mijnheer Faber?’
Hij draaide zich van het raam weg. Zijn secretaresse stond in de deuropening. ‘Mijnheer Van Delden is hier. De vertegenwoordiger van Algra Bunkerwaren.’
Hij wierp een schuine blik op zijn polshorloge. Dat zou wel weer overwerk worden. Niet dat het hem veel kon schelen. Er was niemand die thuis op hem wachtte, en zondagen duurden hem altijd te lang. Leunend op zijn wandelstok liep hij op de man af. Van Delden – hij kende hem niet. De ogen van de vertegenwoordiger gleden automatisch naar zijn uitgestoken hand. Plotseling trok er een aarzeling door zijn houding. Het duurde maar heel even, een halve tel misschien, voor hij zichzelf herstelde, maar Faber merkte het – hij merkte het altijd.

Toen Faber ver na zessen de deur van het scheepskantoor achter zich sloot, ging hij niet direct naar huis. In plaats daarvan wandelde hij langzaam richting de kade. Zijn wandelstok tikte dof op de stenen. Vreemd, dacht hij, dat het nooit die stok was waarover men elkaar aanporde, terwijl die toch zoveel meer in het oog sprong. Waarom stootte een mismaakt been de mensen minder af dan een mismaakte hand? Omdat je een been niet aan hoefde raken?
Hij staarde over de rand van de kade in het troebele, grijze water. Rechts van hem torende de boeg van een coaster. Dikke ankerkabels liepen langs de ruwe scheepshuid naar beneden en verdwenen in de diepte. Soms droomde hij dat hij zich aan een van die kabels vastklemde en met de ankerval mee het water in werd gesleurd. Levensecht voelde hij het scherpe staaldraad in zijn handpalmen snijden, dieper en dieper, tot op het bot. Hij wist dat hij de kabel los moest laten, maar hij kon het niet. Telkens weer liet hij zich naar de diepte meeslepen. Als hij wakker werd, lukte het hem soms niet om zijn vuisten te ontspannen, zo verkrampt lagen ze op de dekens.
Het was een kille voorjaarsdag. De wind spatte het water tegen de kade. Hij rilde. Vroeger was het buitenwerk zijn leven geweest, maar ook die tijd was voorbij. Dat hij er nu vanuit de hoogte van zijn kantoor op neer kon kijken was meer dan hij had mogen hopen. Niet iedereen durfde het aan om een invalide in dienst te houden. ‘We zijn dankbaar dat je bent teruggekomen,’ had zijn chef gezegd. ‘Dit is het minste wat we voor je kunnen doen.’
Op de een of andere manier verwachtten ze allemaal dat ook hij dankbaar zou zijn voor de dingen die niet gebeurd waren: dat hij niet arbeidsongeschikt was, dat hij niet was gestorven – alsof daarmee alles wat wél was gebeurd kon worden opgeheven. Maar waarom moest hij dankbaar zijn voor zijn lijden? Hij was niet dood, maar wilde dat soms zeggen dat hij leefde? Hij was niet meer gevangen, maar maakte dat hem vrij? Had hij soms niet het volste recht om zijn smeulende wrok te koesteren: tegen het geluk van Bronswijk, tegen de smetteloze handen van Van Delden, tegen alles wat hij kwijtgeraakt was en nooit opnieuw zou hebben?
In de verte hoorde hij het hek van de werfpoort schrapen. Hij draaide zich met tegenzin van het water weg. De vochtige kou was in zijn knie gekropen. Het lopen viel hem moeilijker dan daarnet. Eigenlijk zou hij op dagen als deze zo min mogelijk buiten moeten komen, maar hij liet zich niet opsluiten – niet nog eens.
Trekkebenend strompelde hij richting de straat. Plotseling gleed zijn stok weg over de stenen. Hij wankelde, greep naar de stapel staalbalken aan zijn rechterhand, greep mis. Het volgende ogenblik lag hij plat voorover op de grond: hulpeloos als een kind. Zijn stok was uit zijn handen geschoten en weggerold. Hij probeerde zichzelf aan de balken overeind te trekken, maar zijn knie maakte het hem onmogelijk. Zijn hele been stak en tintelde. Tussen de balken door kon hij nog net de bocht van de weg zien, maar hij wist dat hij zelf niet te zien was, zelfs niet vanuit het scheepskantoor, waar zijn secretaresse trouwens al lang en breed naar huis was. Het was zaterdagmiddag, bijna avond. Algauw zou er geen mens meer op de werf zijn.
Op dat moment hoorde hij voetstappen de hoek om komen: één paar werklaarzen en één paar kinderschoentjes, precies in dezelfde pas.
Zijn kaken begonnen te gloeien. Nog liever had hij zijn tong afgebeten – maar het was roepen of buiten slapen.
‘Frits!’ riep hij onwennig. ‘Hé, Frits!’
Hij zag hoe Bronswijk met een ruk stilstond. Eén moment verstijfden zijn schouders. Het was een angstreflex dat Faber als een spiegelbeeld herkende. Ook Bronswijk was de oorlog niet vergeten, besefte hij met een schok, en die gedachte overviel hem een beetje.
‘Frits, hier!’ riep hij nog eens. ‘Achter die balken. Ik kan niet meer overeind komen …’
Bronswijk had zijn dochtertje instinctief tegen zich aangetrokken. Even was Faber ervan overtuigd dat hij zich om zou draaien en weglopen – maar toen deed hij een paar passen naar voren.
‘Faber!’ zei hij verrast. ‘Wat …?’
‘Gevallen,’ zei Faber. ‘Niets ernstigs. Maar het been …’
Bronswijk knikte. Hij wist van het been, iedereen wist ervan, er waren ongetwijfeld mensen die het been beter kenden dan de man die eraan vast zat.
‘Geef me uw hand,’ zei Bronswijk.
Faber aarzelde. Hij voelde de scheepskabel tussen zijn vuisten, staaldraad in zijn vlees, de zuigende zwaartekracht, het water dat zwarter en zwarter werd. Loslaten? Vasthouden?
Hij klemde zijn lippen op elkaar en stak zijn hand uit. Zonder aarzelen legde Bronswijks knuist zich er stevig omheen.
Zwijgend stonden ze een ogenblik later tegenover elkaar op de kade.
‘Dank je, kerel,’ zei Faber.
‘Geen dank,’ zei Bronswijk.
Ze moesten dezelfde kant op; ze hadden geen keuze. Faber probeerde zich ongemerkt naar achteren te laten zakken – hij had zijn been als excuus – maar ook het meisje zette kleine stappen, zodat ze vrijwel naast elkaar bleven lopen.
‘Ken jij die meneer, papa?’ hoorde hij haar vragen.
‘Ja,’ zei Bronswijk. ‘Die meneer werkt hier. Net als ik.’
Het meisje keek peinzend opzij. Haar wenkbrauwen waren gefronst. ‘Papa?’ zei ze, net voor ze de poort uitliepen. ‘Waarom heeft die meneer een gat in zijn handen? Heeft hij soms ook aan het kruis gehangen?’

Zondagmorgen zat Jan Faber in de achterste kerkbank, zijn handen voor zich op zijn knieën, de palmen naar boven gedraaid. Hij had nog nooit met zo’n blik naar de littekens gekeken, en hij had zich nog nooit zo diep voor zichzelf geschaamd.