Een bizar gezin
Lezen
Hosea 1:1-12
Zingen
Ps. 6:1,2,9
Ps. 77:6,7
Ps. 103:5,7
WK 366:1,3
WK 419:1,2
Jaarlijks is er de Week van het Gezin. Het thema was in 2025: ‘Samen puzzelen’. De gedachte daarachter was dat het gezinsleven niet alleen een bron van gezelligheid en vreugde is, maar dat gezinnen ook druk, stress, gebrokenheid en pijn kunnen ervaren. Meer dan eens kun je de vraag hebben: hoe leg je als gezin de puzzel? Hoe ga je je weg in deze tijd?
Het gezin van Hosea
In deze Bijbelstudie krijgen we inzicht in het gezinsleven van de profeet Hosea. Wat een bizarre en complexe puzzel is dit! Neem alleen al het begin van zijn huwelijk. De HEERE zegt: ‘Ga, neem voor uzelf een vrouw van de hoererijen’ (Hos. 1:2). Wat gebeurt hier? Calvijn vindt dit te ver gaan: God heeft het zevende gebod aan de mensheid gegeven, Hij houdt het huwelijk hoog en verbiedt iedere vorm van seksueel overspel. Volgens de reformator kan deze opdracht daarom niet letterlijk bedoeld zijn. Hosea 1 zou symbolisch zijn, een visioen, een droom, maar niet werkelijk gebeurd. Dat roept echter de vraag op: waar in de Bijbeltekst staat dat het een visioen is? Mag je dat als latere lezer zomaar invoegen? Andere uitleggers zoeken een oplossing in de betekenis van de uitdrukking ‘vrouw van de hoererijen’. Die hoeft, zo stellen zij, niet te duiden op prostitutie, maar kan ook overspel of vreemdgaan betekenen. In dat geval zou het huwelijk zuiver begonnen zijn, maar zou Gomer in een later stadium ontrouw zijn geworden. Hoe boeiend beide verklaringen ook zijn, ze maken de situatie uiteindelijk te keurig en gepolijst.
De betekenis
Als je het mij vraagt, moeten we de weerbarstige opdracht laten staan. God vraagt werkelijk aan zijn profeet om te trouwen met een vrouw van lichte zeden. Hosea gehoorzaamt en reist af naar de rosse buurt van Samaria. Achter de rode ramen vandaan kiest hij een vrouw: ‘Hij ging en nam Gomer, een dochter van Diblaïm’ (Hos. 1:3). De reden van dit schokkende huwelijk is dat het symbool staat voor de relatie tussen God en zijn volk. Israël is geestelijk overspelig geworden. Het knielt massaal neer voor de nepgoden van Baäl. Dit vreemde huwelijk wil ook ons vandaag ontmaskeren: hoe gaat het tussen God en mij? Hoe vaak trap ik God niet op het hart met mijn ontrouw en ongeloof? Welke vreemde liefdes zijn er in mijn hart? Hoezeer kniel ik neer voor de goden van macht, geld en de verleiding in onze moderne tijd?
Het eerste kind
Gewoonlijk is er vreugde als er een kindje op komst is. In het gezin van de profeet gaat het er totaal anders aan toe. Er is geen blijdschap, maar de shock wordt nog groter. Het eerste kind krijgt de naam Jizreël. Waarom deze aparte naam? Achter de naam ligt het verhaal van Achab, die de wijngaard van Naboth wilde hebben (1 Kon. 21). Toen Naboth niet meewerkte, liet Izebel hem op een valse manier doden. Sindsdien rust er een bloedschuld op de vallei van Jizreël. Jehu, de latere legeraanvoerder, moet van God vergelding brengen (2 Kon. 9:7). Zodra hij echter tot actie overgaat, richt hij een immens bloedbad aan. Hij voert Gods opdracht niet uit, maar misbruikt haar om zelf koning te worden. God heeft alles gezien. In het eerste kind van Hosea komt dit alles samen. God kondigt aan dat Hij de boog van Israël, de militaire macht, gaat breken (Hos. 1:5) en het volk in ballingschap zal wegvoeren. Je voelt de huiver. Als ik als mens tegen God inga, Zijn bedoeling en geboden negeer, als ik andere mensen misbruik voor mijn eigen doeleinden, dan komt God daar vroeg of op laat op terug. God is een rechtvaardige en heilige God. Wat als ik oog in oog met Hem kom te staan?
Het tweede en derde kind
Er worden nog twee kinderen geboren. Opvallend is de formulering. Bij het eerste kind staat dat Gomer hem een zoon baarde (Hos. 1:3), maar bij de tweede en derde wordt alleen vermeld dat zij zwanger werd (Hos. 1:6,8). Hosea wordt niet meer genoemd. Het vermoeden is dat deze kinderen daarom biologisch gezien niet van hem afkomstig zijn. Gomer zou in deze fase van het huwelijk zijn teruggekeerd naar de wereld van de prostitutie en langs die weg opnieuw zwanger zijn geraakt. Dat maakt de gezinssituatie nóg schrijnender. Het meisje krijgt de naam Lo-Ruchama en het jongetje Lo-Ammi. Lo betekent ‘niet’; ruchama betekent ‘ontferming’; ammi betekent ‘volk’. Stel je voor dat deze kinderen wat groter worden en de buurt ingaan. ‘Hoe heet je?’ vraagt een buurvrouw. ‘Ik heet Lo-Ruchama’ – ik krijg geen ontferming, geen liefde, geen geborgenheid. ‘En jij?’ ‘Ik heet Lo-Ammi’ – ik hoor er niet bij, ik ben geen kind van mijn ouders, niemand houdt van mij. In deze namen proef je de diepe pijn van God. Hij heeft zijn volk alles gegeven – Zijn verbond, Zijn liefde, Zijn trouw, Zijn genade, en steeds kreeg Hij stank voor dank. Steeds wordt Zijn liefde stukgemaakt. Prof. dr. H. Berkhof zei eens: ‘Gods toorn is de uiterste spits van Zijn liefde.’ De situatie is zo dramatisch dat God niet verder kan. Kun je daar niet bang van worden in onze tijd? Als je ziet wat wij ervan maken, in de wereld, in de kerk, in ons eigen leven? Dan is het niet meer vreemd dat God zegt: ‘Het is genoeg. Jullie doen Mij te veel pijn. We gaan uiteen. Mijn toorn is de uiterste spits van mijn liefde.’
Hoe gaat het verder?
Dan gebeurt er iets verrassends in de tekst. Het is een verandering – in God zelf. Hij maakt een ommekeer van honderdtachtig graden. In plaats van in oordeel en straf, treedt Hij zijn volk ineens weer tegemoet in liefde en trouw. Hoe kan dat? Waar komt deze wending vandaan? In de tekst zit een dubbele beweging.
1. Terug in de tijd
Een eeuwenoude belofte aan Abraham wordt nieuw leven ingeblazen. Bij het offer van Izak had God gezegd: ‘Uw nageslacht zal zijn als het zand van de zee’ (Gen. 22:17). Het is alsof God midden in de crisis aan deze belofte denkt. God kan niet anders dan trouw zijn aan zijn eerdere beloften van heling en hoop. Daarom is er midden in de crisis genade. Daarom is er hoop van de inwoners van de Jizreëlvallei. Ondanks alles zullen ze toch ‘kinderen van de levende God’ genoemd worden (Hos. 1:10).
2. Vooruit in de tijd
Er is ook een beweging vooruit: een toekomst breekt open. Het tweestammenrijk Juda en het tienstammenrijk Israël zullen onder één Hoofd een nieuwe weg gaan (Hos. 1:11). In deze woorden proef je hoop voor het volk Israël. Ook vandaag mogen we in alle tumult en vragen geloven dat Gods trouw aan zijn volk niet ophoudt. Nog veel meer zijn deze woorden echter een verwijzing naar Jezus Christus. Hij is het Hoofd bij uitstek. Hij is de koning die aan het kruis onze straf absorbeert en door de opstanding heen het nieuwe leven schenkt. Christus is het Hoofd in wie je vergeving en genade en zegen mag ontvangen.
Daarom moeten de lelijke namen onmiddellijk veranderd worden. Het woordje ‘lo’ moet worden doorgestreept. In Christus is er wél ruchama (ontferming); in Christus mag je wél ammi (volk) worden. Een nieuwe naam is in de Schrift ook een nieuwe identiteit. Het markeert het moment van aanraking door God. Abram wordt Abraham, Jacob wordt Israël, Simon wordt Petrus. Elke gelovige mag geloven niet langer van zichzelf te zijn, maar eigendom van Jezus Christus. Zoals het lied (Weerklank 366) zingt over Zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus: ‘Ik heb de zeggenschap over mijzelf verloren, met lichaam en met ziel mag ik Hem toebehoren’. Dat is een diepe en troostvolle gedachte. Mogelijk heb je twijfels in je geloofsleven of weet je van aanvechtingen: ‘Ben ik werkelijk een kind van God? Zijn mijn zonden echt volledig vergeven? Ben ik straks welkom in de eeuwige liefde van de hemelse Vader?’ Streep het woordje ‘niet’ weg uit je levensloop. Dankzij de beloften die in Christus tot vervulling komen, mag je geloven: ‘Ik hoor er wél bij. Er is wél genade. Ik mag straks de vreugde van Gods eeuwige toekomst ingaan.’ Wat is er mooier en vreugdevoller dan dat?
Studievragen
- Calvijn kon er nauwelijks bij dat God echt de opdracht geeft aan Hosea om met een prostituee te trouwen.
a. Hoe kijk je tegen zijn visie en die van de andere uitleggers aan?
b. Hoe laat God juist door dit huwelijk zijn eindeloze trouw schitteren?
2. De geboorte en naamgeving van de kinderen is confronterend. Bespreek de betekenis van de namen.
a. Wat is de link met Zondag 4 (HC)?
b. Hoe verwerkt Paulus deze namen in de Romeinenbrief?
3. Waarom maakt God onderscheid tussen het huis van Israël (vers 6) en het rijk van Juda (vers 7). Wat heeft dat ons te zeggen?
Geloofsgesprek
4. Gods oordelen komen voort uit gekwetste liefde. Hoe kijk jij tegen Gods oordeel aan? Hoe helpt Hosea ons op een andere manier naar Gods oordelen te kijken?
5. God is ‘toch’ genadig vanwege eerder gegeven beloften.
a. Hoe raakt dit aan onze doop?
b. Welke hoop bevat dit voor ons vandaag?
6. Dankzij Christus wordt het oordeel afgewend en is er genade.
a. Waarom wordt Christus profetisch ‘Hoofd’ genoemd (vers 11)?
b. Zijn er momenten waarop je hebt ervaren dat God in Christus aan jou genade en leven schenkt?
7. Zijn er twijfels in jouw leven? Hoe kunnen de nieuwe namen (vers 12) zekerheid geven?
Bidden en danken
Danken voor: Gods trouw aan zijn beloften, de gave van Christus, de nieuwe identiteit in het geloof.
Bidden om: bekering van afgoden en lege liefdes, afwending van straf, zekerheid van het geloof in Christus.
