• Gepubliceerd door
  • Vrouw tot Vrouw
  • Gepubliceerd op
  • 9 juli 2026

Gastvrij leven in vertrouwen op Gods belofte

Tekst: Liesbeth Burggraaf /Illustratie Inge-Ruth de Jong 

Gastvrij leven in vertrouwen op Gods belofte
Genesis 18:1-22 

Intro 
Wat is de zomer toch een fijne tijd. We genieten van de zon en komen tot rust in de schaduw met een glas water in de hand. Het leven lijkt zich veel meer buiten af te spelen en zo is er meer gelegenheid om mensen spontaan te ontmoeten. Zo kwam ik bij de geschiedenis van Abraham, als voorbeeld voor ons. Hij staat open voor een nieuwe ontmoeting en zijn gastvrijheid maakt ruimte voor God die Zijn beloften vervult. 

Bijbelstudie 
‘De HEERE nu zei tegen Abram: Gaat u uit uw land, uit uw familiekring en uit het huis van uw vader, naar het land dat Ik u wijzen zal. Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken; en u zult tot een zegen zijn’ (Gen.12:1).  

Hoewel Abraham al vijfenzeventig was en nog geen kinderen had, ging hij op weg naar Kanaän. Hij vertrouwde op Gods roepstem en droeg de belofte in zijn hart dat God hem zou zegenen en tot een groot volk zou maken. 

In de voorgaande hoofdstukken lezen we hoe Abraham door het land Kanaän trekt en zijn nieuwe thuisland leert kennen. In Genesis 18 zet Abram zijn tent op bij de eikenbossen van Mamre, in de buurt van Hebron. 

Ik kan me goed voorstellen dat dit een geschikte plek was om te verblijven. De eiken, ook wel terebinten genoemd, boden beschutting tegen de zon, regen en wind, wat in dit onherbergzame gebied van groot belang was. Bovendien duidt de aanwezigheid van bomen op water, iets wat in het hete klimaat van levensbelang was. 

De eiken van Mamre vormden een heilige plaats en werden daarom ook wel het Heiligdom van Mamre genoemd. Genoemd naar Mamre, een Amoriet, de broer van Eskol en Aner, bondgenoten van Abraham (Gen. 14:13). Abraham had op deze plek een altaar voor JHWH opgericht (Gen.13:18).   

In Genesis 18 lezen we dat Abraham in de ingang van zijn tent zit, terwijl de dag heet werd. Ik stel me zo voor dat de stilte zwaar over het land hing, de zon hoog aan de hemel stond en de lucht trilde van de warmte. Geen wind bewoog de bladeren van de terebinten; zelfs de vogels zochten zwijgend de schaduw op. Daar zat Abraham, leunend op zijn staf, terwijl hij uitkeek over het Heiligdom van Mamre.  

Het was het uur waarop reizigers normaal rustten, de hitte was te groot om verder te gaan. Zijn tentdoeken boden wat schaduw, maar de warmte drong overal doorheen. Toch zat Abraham niet binnen. Hij keek voor zich uit, alsof hij iets verwachtte, zijn ogen gewend aan de verte. Misschien dacht hij aan de woorden die God tot hem had gesproken, aan de belofte van een groot volk dat uit hem zou voortkomen. De Heere had zijn belofte inmiddels verschillende keren herhaald, maar tot nu toe was het bij de belofte gebleven.   

Terwijl de tijd langzaam verstreek, kwamen in de verte drie mannen dichterbij. Abraham stond op en liep hen, ondanks zijn hoge leeftijd en de verzengende hitte, snel tegemoet. Hij boog diep voor hen, een gebaar van groot respect en nederigheid. Hiermee liet hij zien dat hij hen hoog achtte. Dat blijkt ook uit zijn uitnodigende woorden: ‘Mijn heer, als ik nu genade gevonden heb in uw ogen, ga dan uw dienaar toch niet voorbij. Laat er toch wat water gebracht worden; was dan uw voeten, en rust wat uit onder de boom’. 

In de oudtestamentische tijd waren de wegen stoffig en droegen mensen sandalen. Voeten werden moe, brandden van de hitte en waren vies; bedekt met stof. Wie bij iemand op bezoek kwam, werd uitgenodigd om zijn voeten te wassen. Water was kostbaar en juist daarom een krachtig teken van gastvrijheid. Je bood iets aan wat heel waardevol was. 

Abraham nodigde zijn onbekende gasten uit om onder de boom uit te rusten. Hij leefde in onherbergzame omstandigheden: het was warm en er was weinig water. Juist in zulke omstandigheden was het zorgen voor gasten en vreemdelingen geen overbodige luxe, maar een noodzakelijke plicht. In het woeste gebied waarin ze leefden, was zorg voor elkaar van levensbelang om te kunnen overleven. Tegelijk blijkt uit Abrahams reactie ook een innerlijke gedrevenheid. Hij liep hen snel tegemoet en haalde alles uit de tent om hen goed te verzorgen: verse koeken, het beste kalf, boter en melk.  

Onder de eiken van Mamre, wordt duidelijk dat gastvrijheid veel meer kan inhouden dan alleen vriendelijk zijn voor elkaar. Abraham wist nog niet dat hij in deze vreemdelingen de nabijheid van de HEERE zou ervaren. Hij deed wat hij altijd deed: ontvangen, dienen, delen van wat hij had. Misschien is dat wel de kern van Bijbelse gastvrijheid: ieder dag met open handen leven en ontdekken dat God Zelf daarin aanwezig wil zijn. Met verwachting openstaan voor dat wat God ermee wil doen. ‘Zou er voor de Heere iets te wonderlijk zijn?’ (vers 14). 

Ik stel me voor dat er in de schaduw een rustig gesprek ontstond tussen Abraham en de drie vreemdelingen, tot de mannen plotseling naar Sara vragen. Abraham antwoordde eenvoudig, nietsvermoedend van wat zou volgen. Toch werd hier, onder een boom in de hitte van de dag, opnieuw Gods belofte herhaald. Concreter nu: ‘over een jaar, zal Ik bij u terugkomen, en Sara zal een zoon hebben!’. 

Het was de Heere zelf die hier aan Abraham verscheen, zoals blijkt uit het vervolg van de tekst. Wanneer de mannen op staan om verder te gaan, loopt Abram nog een stukje met ze mee. Dan wordt duidelijk dat de groep van vier personen bestaat uit Abraham, de Heere God zelf en twee engelen. De twee engelen gaan verder op weg naar Sodom om daar hun opdracht uit te voeren, terwijl de Heere bij Abraham blijft en met hem in gesprek gaat. Abrahams gastvrijheid blijkt geen toeval, maar een antwoord op Gods aanwezigheid. Abraham is als gesprekspartner van God betrokken in Gods heilsplan en Gods weg met deze wereld.  

Een wonderlijke geschiedenis die laat zien wat het betekent om met een open houding te leven, in vertrouwen op Gods beloften. God vervult Zijn beloften en gebruikt ons, maakt Zijn handelen zichtbaar in wat wij doen. Zo wordt Abraham geroepen tot een gastvrij leven en gedragen door vertrouwen op Gods beloften. 

Vragen: 

  1. Abraham herkent God niet meteen, maar stelt zich wel gastvrij en dienstbaar op.
    Wat betekent Bijbelse gastvrijheid voor jou, en hoe krijgt die concreet vorm in jouw dagelijks leven?  
  2. De Heere God herhaalt Zijn belofte midden in het gewone dagelijks leven van Abraham.
    Zou God dat nu ook nog kunnen doen? Verandert dat je blik op jouw omgang met andere mensen?  
  3. John MarkComerbeschrijft in zijn boek Paradijsstad hoe wij Gods partners of medearbeiders zijn. Wat vind je daarvan? Zou God ons ook zo kunnen gebruiken als Abraham? Wat is heb je daarvoor nodig?  

Liesbeth Burggraaf, theoloog (BTh) en Christencoach